Wij zijn het probleem

Over de toeschouwer die zichzelf voor dader verslijt

Wij zijn het probleem

De Olympische Spelen in Milaan leverden deze week een scène op die ongemakkelijk lang blijft hangen. Vladyslav Heraskevych, Oekraïens skeleton-atleet, weigerde te starten zonder zijn helm. Op die helm: foto's van Oekraïense sporters die zijn omgekomen in de oorlog. Het IOC bood hem een zwarte rouwband aan als compromis. Hij weigerde. Er zijn niet genoeg zwarte armbanden om de slachtoffers van deze oorlog te herdenken, zei hij. Hij werd gediskwalificeerd. Hij offerde het hoogtepunt van zijn sportleven op voor een daad die niemand hem kan afnemen.

Tegelijkertijd pistte de Brits-Amerikaanse freestyleskiër Gus Kenworthy ""Fuck ICE"" in de sneeuw en postte dat op Instagram. Het IOC zweeg, want sociale media vallen buiten hun regels. Hij oogstte 1,2 miljoen views en geen enkele sanctie.

Beide mannen zijn moedig. Dat staat buiten kijf. Maar wij, de toeschouwers, behandelden hen identiek: een golf van verontwaardiging of bewondering, een like, en toen het volgende item. De daad is niet langer het eindpunt. Zij is de grondstof geworden voor onze eigen morele etalage.

Jutta Leerdam illustreert de andere kant van hetzelfde verval. Haar prestatie is het product van jaren stille ascese, zonder camera, zonder applaus, alleen het ijs en de klok. Maar de aandachtseconomie duldt geen onzichtbaarheid. De snelheid wordt bijzaak; de atleet wordt influencer. Niet omdat zij dat kiest, maar omdat wij niet meer weten hoe we naar substantie moeten kijken zonder er eerst een verhaal omheen te bouwen. Wij herinneren ons de relatie. Niet de tijd.

Dit is de werkelijke erosie van onze tijd: niet dat mensen ophouden met handelen, maar dat wij ophouden met kijken. En erger nog, wij verhullen onze eigen onmacht als betrokkenheid. We vinden van alles. We doen geen reet. En we beseffen het verschil nauwelijks meer.

Hier ligt een parallel die ongemakkelijk is, maar die we niet mogen wegkijken. De Sovjet-samokritika, de verplichte publieke zelfkritiek-sessies waarbij burgers hun ideologische tekortkomingen moesten bekennen voor de groep, functioneerde niet primair als straf. Ze functioneerde als loyaliteitsbewijs. Wie zweeg, of erger, wie weigerde mee te doen, plaatste zichzelf buiten de orde. De inhoud van de bekentenis deed er nauwelijks toe. Het ging om de daad van het uitspreken zelf, om de zichtbare onderwerping aan de groepsnorm. Dit mechanisme, niet de gulags, niet de schaal, maar de logica van verplichte publieke conformiteit, leeft voort in onze oordeelscultuur. Wie over Heraskevych zwijgt, wie geen standpunt inneemt over het IOC, wie Leerdam niet verdedigt tegen de lifestyle-machine, maakt zich verdacht. De druk om je morele positie permanent zichtbaar te maken is geen uitnodiging tot dialoog. Het is een loyaliteitstest.

Want wie zijn wij precies, als wij onze verontwaardiging over de diskwalificatie van Heraskevych posten, liken en doorsturen, terwijl we weten dat er morgen niets veranderd zal zijn? We zijn geen getuigen. We zijn consumenten van andermans moed. De existentiële daad van een ander wordt een accessoire voor onze eigen morele status. Dat is niet betrokkenheid. Dat is parasitisme met een goed geweten.

De paradox is schrijnend: de toeschouwer waant zich dader. De man achter het scherm die de IOC-beslissing veroordeelt, voelt zich even moedig als de man die zijn olympische droom opgaf. Wij hebben de schijn van deelname zo volledig gelijkgesteld aan deelname zelf, dat het onderscheid ons niet meer stoort.

Dit vraagt om iets oncomfortabels: een eerlijk eigen standpunt. Niet de veilige verontwaardiging die iedereen deelt, maar de mening die ergens op staat, die een prijs heeft, die iemand voor het hoofd stoot, die je iets kost. Heraskevych had een standpunt. Hij betaalde ervoor. Wij mogen hem bewonderen, maar we mogen onszelf daarbij niet verwarren met hem.

De samenleving heeft geen behoefte aan meer morele curatoren. Ze wacht op mensen die bereid zijn iets te verliezen voor wat ze zeggen te geloven. Dat begint niet met een post. Het begint met de eerlijke vraag: wat ben ik bereid op te geven?

Ware moed sterft niet in het felle licht van de schijnwerpers. Maar ze wordt geboren in de stilte voor je besluit om toch te spreken, wetende dat niemand klapt.

Groet, Jeroen.

Door Jeroen Panders