Er wordt een borrel gegeven in een restaurant in de Pijp. Een vriend heeft de zaak net geopend, en het gezelschap is wat je in Amsterdam de diaspora van het Gooi zou kunnen noemen: mensen met een eigen zaak, mensen met een erfenis in het vooruitzicht, hun ooms, hun neefjes, vrouwen met een tas die ooit is aangeschaft als investering en als statussymbool, en die in geen enkel opzicht praktisch is. Iemand zegt dat de nieuwste members club minder exclusief blijkt dan de vorige en dat dat nu al de derde op rij is. Een ander weet het met de curated coworking space aan de andere kant van de stad ook niet meer, van buiten is hij fraai, van binnen is het vooral stil. De breakfast clubs zijn opgezet om mensen te verbinden, zegt weer een ander, maar verbinding heeft niemand er ooit gevonden. Het soort gesprek waarin mensen elkaar aftasten zonder dat te benoemen.
Op enig moment vertel ik dat ik ga samenwonen. Het is recent nieuws, het is goed nieuws, mijn vriend woont nu nog in Rotterdam en over een paar weken niet meer. In een split second kantelt het register. Van aftasten naar sollicitatie. De eerste vraag die volgt is niet hoe lang we iets hebben, of waar we elkaar hebben leren kennen, of hoe het is om na acht jaar in hetzelfde huis te vertrekken. De eerste vraag is: koop of huur?
Ik geef het antwoord dat ik de afgelopen weken steeds vaker geef. Het is een bijzondere situatie. De vraagsteller knikt zoals je knikt wanneer iemand iets zegt wat je niet wilt doorvragen. Het gesprek gaat door. Pas later die avond merk ik dat ik het antwoord niet per ongeluk heb gegeven, en dat ik het al een paar weken in verschillende vormen geef.
Ik heb die vraag zelf nog nooit gesteld. Niet omdat ik me erboven verheven voel, maar omdat ik hem privé vind, op dezelfde manier waarop de vraag waarom iemand geen kinderen heeft privé is. Het is een vraag waarvan het antwoord iets doet met de vragensteller, of hij dat wil of niet. Er wordt een categorie bepaald. De vraag is precies zo kwalificerend als hij bedoeld is.
Aan deze tafel is dat ook geen misverstand. De ooms en de neefjes weten wat het verschil is tussen de Pijp en Oud-Zuid, tussen eigen geld en geleend geld, tussen een appartement in Amsterdam en een huis in Laren. De anderen weten het ook, en ze bewegen zich in de richting waarin het antwoord beter wordt. Ongeveer vijftien jaar geleden woonde ik een tijd in New York, waar je in een gesprek doorgaans binnen drie vragen werd gekwalificeerd: naam, buurt, beroep. Ik dacht toen dat het iets van die stad was. Sinds een paar jaar denk ik dat niet meer.
Wat me stoort is niet de vraag. De vraag past bij de borrel. Wat me stoort is dat ik er zelf ook bij zit, en dat ik het halve antwoord geef zoals je een halve leugen geeft, niet om te misleiden maar om de vraagsteller het werk van doorvragen te laten doen, wat hij niet zal doen. Daarin ben ik medeplichtig. Ik speel mee door niet mee te doen. Dat is een houding die ook een positie is.
Wat ik eigenlijk zou willen dat gevraagd werd is niet of ik koop of huur, maar hoe ik woon. Met wie. In wat voor constructie. Tot wie ik me verhoud als ik thuiskom, wie er naast me ligt, wat voor ochtenden we aan het bouwen zijn. Die vraag gaat niet over bezit maar over verhouding. Ze moet verteld worden, en dat kost de vragensteller iets, want hij moet luisteren. Dat is precies waarom die vraag op zo'n borrel niet wordt gesteld. Luisteren is duurder dan kwalificeren.
Ik weet dat mijn voorkeur voor die vraag me ook goed uitkomt. Ik heb een antwoord dat zich beter leent voor vertellen dan voor een categorie. Dat ben ik mezelf verplicht toe te geven. Maar ik denk nog steeds dat het de betere vraag is, ook voor de vragensteller. Wie vraagt hoe iemand woont leert iets. Wie vraagt of iemand koopt of huurt niet.
Eerder deze week liep ik met mijn vriend door ons nieuwe huis. We hadden een rolmaat meegenomen en stonden in wat onze slaapkamer wordt, en de zon viel naar binnen op een manier die ik nog niet kende. Ik zag het voor me. Een zomerochtend, koffie, hij en ik. Een ochtend die er nog niet is. Daar ging het om. Niet om wie het bezit en niet om wat het kost. Om twee mensen die een ochtend aan het bouwen zijn.
Dat had ik op die borrel kunnen zeggen. Ik heb het niet gezegd.
Groet, Jeroen.