Geluk heet achteraf aanpassingsvermogen

Geluk heet achteraf aanpassingsvermogen

Op Netflix staat The Dinosaurs, vier afleveringen, Morgan Freeman als stem, Spielberg als uitvoerend producent. Ik was acht jaar toen Jurassic Park uitkwam en begreep toen voor het eerst dat er iets had geleefd wat groter was dan alles wat ik kende. Die fascinatie is nooit weggegaan.

The Dinosaurs herinnert je aan iets wat je te vergeten neigt. De tijdschaal rekt zo ver op dat een week actualiteit even precies zo groot is als hij is: één week, in een geschiedenis van honderdvijftig miljoen jaar. Industrial Light & Magic reconstrueerde de dieren op basis van fossielen en het nodige giswerk, en op een zondagavond op de bank maakt dat weinig uit. De Ubirajara jubatus, een kipachtig wezen met manen langs zijn rug en stijve linten op zijn schouders, danste zichzelf waarschijnlijk de evolutie uit. Zijn vertoon werd met elke generatie extravaganter, totdat het een last was die hij niet meer kon dragen.

Wat me bijblijft is het einde. De meteoriet. Een gebeurtenis die niemand had voorspeld en die een dominantie van honderdvijftig miljoen jaar in één middag irrelevant maakte. Nassim Taleb noemde zulke momenten zwarte zwanen, naar het dier waarvan Europa eeuwenlang zeker wist dat het niet bestond, totdat de eerste ontdekkingsreizigers in Australië landden en er gewoon een zagen. De overtuiging bleek de fout, niet de werkelijkheid.

De dinosauriërs hadden de zwarte zwaan niet kunnen conceptualiseren. Honderdvijftig miljoen jaar van bewezen strategieën, grootte, kracht, voortdurende aanpassing, en toen een rots van tien kilometer die al die opgebouwde wijsheid in één generatie verouderde. De overlevenden waren de witte raven. Dat woord bestaat los van Taleb. Het Nederlandse idioom voor wat er tegen alle kansen in toch bestaat. Ze hadden niet slim geanticipeerd. Ze lagen toevallig in een ei, in een grot, op het verkeerde moment op de goede plek. Dat bleek genoeg om de volgende honderd miljoen jaar mee te beginnen.

In 2009 woonde ik aan de Spaklerweg in Amsterdam, in een containerwoning op een rij met andere recent afgestudeerden, driehonderd zestig euro per maand. Overdag werkte ik bij iens.nl, het platform dat Iens Boswijk had gebouwd voor restaurantliefhebbers en dat inmiddels iconisch is geworden. Een warm bad vol creatieven, redacteuren en mensen die geloofden dat internet ergens naartoe ging. Ik heb dat lange tijd aangezien voor eigen inzicht, voor de juiste keuzes op het juiste moment. Pas later, toen de omstandigheden veranderden, werd zichtbaar hoe weinig het met keuzes had te maken gehad. Ik was op het juiste moment in de goede grot.

Nu hoor ik overal dat aanpassingsvermogen de sleutel is. Wie wendbaar genoeg is, komt de onrust van deze tijd wel door. Het is een moreel oordeel dat eruitziet als een observatie, want aanpassingsvermogen veronderstelt middelen, tijd en toegang. Het veronderstelt een vast contract, geen dakschuld, iemand die de kinderen opvangt als de cursus ’s avonds plaatsvindt. Voor wie dat heeft, is aanpassingsvermogen een strategie. Voor wie dat niet heeft, is het een verwijt. En de meteoriet kondigt zich niet aan. De reorganisatie, de ziekte, de crisis die niemand zag aankomen. Die maakt alle voorbereiding achteraf óf briljant óf zinloos, en dat verschil heeft niets met verdienste te maken.

Wat wij aanpassingsvermogen noemen is vaak gewoon de naam die geluk krijgt als het goed afloopt.

De witte raaf is geen held. Hij is een overlevende, wat iets anders is.

Groet, Jeroen.

Door Jeroen Panders