Donderdag, Pakhuis de Zwijger. Buiten hangt de verkiezingskoorts die Amsterdam eens in de vier jaar treft. Op 18 maart kiezen we een nieuwe gemeenteraad, en binnen zit de culturele sector van de stad bij elkaar. Journalisten, makers, beleidsmakers, adviseurs. Een zaal die weet waar ze voor staat, en precies weet wat er op een vraag geantwoord moet worden.
Het debat, georganiseerd door het Amsterdams Fonds voor de Kunst, de Amsterdamse Kunstraad en Amsterdamse Culturele Instellingen, wordt door CDA-lijsttrekker Rogier Havelaar grapjassend bestempeld als het "duurste debat van Amsterdam." Een aardige opener. Maar als de avond vordert, vraag je je af of hij ook de meest veilige heeft bedoeld.
De werkvorm spreekt boekdelen. Stellingen worden geponeerd, het publiek mag reageren met gekleurde post-its: rood of groen, eens of oneens. De stelling luidt, in de strekking: de Amsterdamse kunstenaar geeft de stad meer dan de stad hem geeft. De zaal steekt groen op. Massaal, bijna unaniem. VVD-lijsttrekker Daan Wijnants kijkt de zaal in (de enige persoon die haar hand opsteekt als gevraagd wordt wie er VVD stemt, is zijn eigen introduce) en zegt dat hij er toch anders over denkt. Opvallend, want verder blijft de avond glad.
De consensus was overigens niet zonder inhoud. Breed werd gedeeld dat er meer geld bij moet en dat de huidige verdeling schever is dan ze zou moeten zijn. Opvallend genoeg werd telkens hetzelfde voorbeeld aangehaald: de Nationale Opera en Ballet als symbool van een subsidiestructuur die de grote instellingen bevoordeelt boven de rest. Directeur Stijn Schoonderwoerd, zelf in de zaal, ging daar sportief mee om. Maar een debat heeft weerstand nodig als mechanisme. Als iedereen het al eens is, meet je geen standpunten maar een groepsgevoel. “Goed om te begrijpen waar we staan,” zegt iemand achteraf, tevreden. Maar wáár staan we dan? En ten opzichte van wie?
De Meervaart is daarvoor een illustratief voorbeeld, al speelde het die avond niet expliciet. Zodra het over cultuurbudget en stedelijke prioriteiten gaat, duikt het theater op als conflictpunt. Het huidige gebouw stamt uit 1977 en is volledig afgeschreven. De nieuwbouwplannen voorzien in een gebouw van negenduizend vierkante meter, dertig meter hoog, deels in de Sloterplas, met een prijskaartje van honderd miljoen euro dat vrijwel zeker verder oploopt. Omwonenden verzetten zich al jaren, niet tegen het theater maar tegen de locatie: de Sloterplas is voor hen geen bouwgrond maar een natuurgebied, het groene hart van Nieuw-West dat samen met de wijken eromheen is aangelegd. De gemeente heeft het besluit meerdere keren heroverwogen, participatietrajecten doorlopen, en is uiteindelijk toch bij dezelfde plek uitgekomen. De afweging tussen culturele ambitie, leefbaarheid en ecologie is precies het soort gesprek dat een debat over kunst en cultuur zou moeten voeren. Het blijft meestal onuitgesproken, ook in een zaal vol mensen die zeggen dat kunst ertoe doet.
Toch stonden er drie lijsttrekkers op het podium die lieten zien dat het ook anders kan.
Chris de Ploeg van De Vonk, een partij ontstaan uit een coalitie van links-van-links krachten die dit jaar voor het eerst als gecombineerde lijst aan de verkiezingen meedoet, sprak met een belezenheid en precisie die je in dit soort debatten zelden hoort. Hij had standpunten die ergens op gebaseerd waren, die botsten met andere opvattingen en dat ook niet ontliepen. Dat is een gave. Je merkt het meteen als het er is, en je merkt het nog harder als het er niet is.
Angelo Delsen, de nieuwe SP-lijsttrekker, werkt bij de politie. Hij is opgegroeid half Surinaams, half in een woonwagenkamp. Dat zegt hij zelf, en hij zegt het als biografie, als context voor waarom hij vindt wat hij vindt. Zijn geluid was scherp en respectvol tegelijk, en het ging ergens over. Over wie er niet in die zaal zit en waarom niet. Over wat culturele participatie betekent als je er niet dagelijks in de termen van de sector over nadenkt. Hij moest zich halverwege de avond excuseren: later die nacht schoof hij aan bij Pauw & de Wit, naast Pieter Klok van de Volkskrant, om te spreken over de uitsluiting van Forum voor Democratie van het coalitiedebat. Om zijn punt te maken greep hij naar Voltaire: “Je ne suis pas d’accord avec ce que vous dites, mais je me battrai jusqu’au bout pour que vous puissiez le dire.” Dat hij dat citaat bij de hand had, en wist wanneer het paste, zegt meer over hem dan een heel verkiezingsprogramma.
En dan Carla Kabamba van Lijst van Morgen. Op krukken, been in gips, maar met een aanwezigheid die de technische ongemakken van het podium simpelweg negeert. Haar betoog over culturele participatie was het sterkste van de avond: concreet, verbonden, zonder de zelfgenoegzaamheid die het onderwerp soms omgeeft.
Wat deze drie gemeen hebben is opvallend eenvoudig: ze spreken voor mensen, niet voor posities. Ze hebben geen decennia aan institutioneel zelfbehoud te beschermen, geen achterban die al vijftien jaar verwacht dat ze een bepaalde zin op een bepaalde manier afmaken. Dat geeft vrijheid. En die vrijheid klinkt.
De lijsttrekkers van de gevestigde partijen waren dat minder. Competent, welwillend, maar ook merkbaar gebonden. Partijen die lang bestaan dragen hun geschiedenis mee: dat geeft diepte, maar het slijpt de scherpe kanten eraf. Je hoort het in de formuleringen die net iets te glad zijn, de standpunten die net iets te voorzichtig landen. Amsterdam heeft dit jaar vierendertig partijen op de kieslijst. De institutionele partijen hebben niet weten te voorkomen dat mensen andere verbanden zoeken om hun ideeën een stem te geven. Je kunt dat betreuren als fragmentatie. Waarschijnlijker is het een symptoom van partijen die te lang te weinig ruimte hebben gelaten voor stemmen die niet in hun bestaande kaders pasten.
Hier ligt de eigenlijke spanning van de avond, en hij werd niet benoemd. Er is een these die in culturele kringen breed gedragen wordt, en die ik zelf ook onderschrijf: een democratie moet twee dingen fundamenteel beschermen, een vrije pers en een vrije kunst. Beide zijn bakermat en waakhond tegelijk. Journalisten houden de macht controleerbaar; kunstenaars houden de verbeelding open. Dat tweede is geen luxe maar een voorwaarde, ook voor het eerste.
Maar juist omdat die these zo zwaarwegend is, zou je verwachten dat de sector haar verdedigt op plekken waar ze bevochten moet worden. De verdediging van de vrije kunst wordt gevoerd door de vrienden van de vrije kunst, voor de vrienden van de vrije kunst. De post-it gaat groen omhoog, niemand leert iets nieuws, en buiten de deur staat een stad die ook stemt. Daarin zit de paradox van een avond als deze: de mensen die het hardst geloven in de maatschappelijke waarde van kunst, organiseren hun overtuigingskracht het minst maatschappelijk. Dat het ook buiten de eigen kring kan, bewees Delsen later die avond bij Pauw & de Wit. De sector zou dat voorbeeld vaker mogen volgen.
De meest uitgesproken stemmen van de avond kwamen van mensen aan de randen van het gebruikelijke politieke speelveld. Vermoedelijk geen toeval. Ze hoeven minder te bewaken, en ze weten klaarblijkelijk ook beter waar de rest van de stad zich bevindt.
Op 18 maart stemt die rest ook.
Groet, Jeroen.
De gemeenteraadsverkiezingen Amsterdam zijn op 18 maart 2026.
De auteur is adviseur van de Amsterdamse Kunstraad, een van de organisatoren van dit debat.