Elke keer als Karoline Leavitt optreedt, is het even wennen. Ze liegt, ja, maar dat doen politici en woordvoerders al zo lang als er belangen te verdedigen zijn. Wat opvalt is het gemak. De kalmte waarmee ze een werkelijkheid presenteert die ze onmogelijk zelf kan geloven. Waarbij „de president bedoelde eigenlijk’ klinkt als een mededeling over het weer.
De vraag is wat dat doet, als mens. Van binnenuit.
We liegen allemaal. Om conflicten te vermijden, om anderen te sparen, om door een dag heen te komen. Maar elke leugen registreert. Er is altijd een klein intern frictiegeluidje. Cognitieve dissonantie: het ongemak dat ontstaat als handelen en overtuiging niet kloppen. Het gaat wringen. Je past je gedrag aan, of je overtuiging, maar het blijft niet ongemerkt staan.
Tenzij je oefent.
Er is een drempel, een punt waarop de dissonantie ophoudt te klinken. Waarbij je het onderscheid bent kwijtgeraakt tussen wat je denkt en wat je zegt. En dan rijst de werkelijke vraag: wat geef je door?
Coen Verbraak maakte de documentairereeks Kijken in de ziel, waarin hij twaalf rechters steeds dezelfde vragen stelde. Mensen wier beroep het is om uitspraken te doen over wat zich afspeelt in een ander mens. De antwoorden verschilden radicaal. Van een uitgesproken ja tot een even uitgesproken nee, twaalf mensen, twaalf werkelijkheden. Dat is geen zwakte van het vak. Het laat zien dat waarheid altijd iets is wat mensen doen, iets wat bevochten wordt, geen vaste ondergrond. In een volwassen democratie is dat de gezonde spanning: zekerheid als aanspraak, geen bezit.
De rechter die tot een ander oordeel komt dan zijn collega probeert de werkelijkheid zo goed mogelijk te begrijpen. De woordvoerder die voor de camera staat en zegt dat de president iets anders bedoelde dan hij letterlijk zei, is bezig met controle. Dat is het moment waarop waarheid stopt een gezamenlijk project te zijn.
De NPO-documentaire over de Bhagwan-generatie laat zien waar dat toe leidt. Kinderen die opgroeiden in communes, omringd door volwassenen die volledig leefden in een geconstrueerde werkelijkheid. Totaal. Een wereld waarin twijfel geen ruimte innam omdat twijfel het systeem zou breken. Die kinderen, nu volwassenen, zijn jaren kwijt aan de vraag wat ze zelf dachten. Wat echt was, en wat hun was ingefluisterd. Want wat je meegeeft in zo’n omgeving is een kapotte gereedschapskist. Taal als instrument, nooit als brug.
De mechaniek bij Leavitt is verwant. Herhaling volstaat. Correctie draagt nauwelijks bij. De derde leugen neemt dezelfde ruimte in als de eerste. En langzaamaan went een publiek aan een gesprek waarin waarheid een van de beschikbare opties is.
Wat dat oplevert is stiller dan chaos. Een sluipende onverschilligheid tegenover feiten, tegenover correctie, tegenover de moeite die het kost om iets werkelijk te begrijpen. De performatieve leugen normaliseert het opgeven van de waarheid als gezamenlijk project.
En ergens, al kijkend, verschuift er ook iets in jezelf.
Groet, Jeroen.